Landgenoten. Wat een dag. Koninginnedag. Zonnetje, beetje wind. Bandjes spelen de longen uit hun lijf. Alcohol maakte zich al vroeg meester over het concept achter het lichamelijke mijn en dijn De vrijmarkt is als vanouds.
Het podium waar kinderen ooit Barbies en trommels voor een habbekrats verkochten, is vakkundig ingenomen door winkeliers die een groot potentieel aan klandizie voorbij zien trekken. Een camerateam maakt een impressie van een in ‘eendracht maakt macht’ clubje dat op 150 beats per minuut het Wilhelmus staat te jumpen.
Net wanneer ik me quasi nonchalant verbaas dat er al Kluuns voor een schandalig lachwekkende prijs worden aangeboden, wordt mij uit het niets met een dode hoek lens gevraagd “wat ik er tot nu toe van vind?” Ik kijk naar Kluun. Kluun kijkt conform het nationale promillage terug en antwoord zacht in gepast Brabants: “Wit-te gij ut?” Nee, ik dus ook niet. Maar ik neuk me dan weer geen bestseller bij elkaar terwijl mijn vrouw aan kanker ligt te sterven. Of ik dat wilde herhalen, vroeg de camera nu vol op mijn snuit. Wat zal ik zeggen?
“Ik zie geen fietsjes meer in crêpe papier gewikkeld. Wel dat de bierprijs gemakshalve wat is opgeschroefd. Ik vertel dat ik net mijn ene euro vrijgevigheid aan een blokfluitend gehandicapt meisje met oranje kraaltjes in de spaken van haar rolstoel heb gegeven. Niet vanwege de kraaltjes of omdat de lieve schat zo opgefrommeld in een stoeltje zit, maar omdat ze zo heerlijk vals speelde, zoals het hoort.